Info

Posts uit Nostalgie

Jaren geleden zie ik in Walsort in de buurt van Dinant een affiche hangen voor een hengelsportbrocantebeurs (ik weet niet eens hoe je dat schrijft!). We waren op vakantie in de Ardennen en dan is dit soort uitstapjes leuk meegenomen. Zoals ik het had verwacht was het geen beurs voor echte verzamelaar, het was een hoop rommel, wat betere rommel en hier en daar wat leuks. Toffe molens, maar niet voor m’n budget. Maar, onder deze tenten op het parkeerterrein van Walsort, spatte de folklore er van af. Uiterst gezellig zijn dit soort evenementen, ik kan daar enorm van genieten. Ik had nochtans niet veel geld uit te geven (nooit zo geweest trouwens…).
Aan het laatste kraampje zat een stokoud mannetje me met z’n dichtgepriemde oogjes, tranend en half duttend aan te kijken. Geruit kostuumpje, een beetje verlopen grijs, vergane glorie.
Waarschijnlijk had hij nog niet veel verkocht, het was ook niet echt de moeite wat er lag.
Maar toen viel m’n oog op onderstaand rieten mini mandje. Plompverloren tussen de rommel op dit marktje. Ik ben nogal gevoelig aan dit soort dingen, spullen die geleefd hebben…
Ik nam het vast en het mannetje veerde recht, zij het wat moeizaam.
De onderkant was kapot, maar het was toch een klein leuk tasje, zo’n 18 centimeter breed. Ik moest het hebben. Hoeveel kostte dat alweer? Oei, toch redelijk wat. Marleen keek me aan en wist toch al wat ik ging doen.
Toen het mannetje het mandje in een versleten plastic zakje schoof sprak hij me plots aan. Hij had het mandje zelf gevlochten en beschilderd voor z’n zoontje, toen die nog klein was. Ze vistten samen langs de Maas in Wallonië.
Nu, jaren later, zat hij hier z’n hengelspulletjes te verkopen.. z’n zoon was reeds lang geleden gestorven, en de gezondheid was niet meer van dien aard dat hij zelf nog kon vissen…
Of het waar was of niet, ik werd gepakt toen ik dit aanschouwelijke verhaal hoorde en was enorm blij dat ik weer eens iets met een verhaal op de kop had getikt. Zelf vulde het hem met blijdschap, dat iemand hiervoor belangstelling had. Ik zei hem dat ik het ging koesteren, iets wat ik ook doe.
Het was vergane glorie, langs de Maas…


Een klein mandje… een groot leven…

Tijd voor een beetje nostalgie. Bijna twintig jaar geleden, op het moment dat ik onderstaande oude welbekende klepper ving uit Het Land van Ghow, had ik ook een stek lopen aan het Kanaal Kortrijk-Bossuit. Dicht bij huis dus, aan ‘Het Hol’ in Stasegem. Een mooi stekje in een flauw bochtje tussen het riet, een stekje die nu al jaren verdwenen is onder beton en herstructurering. Een ringweg rond Zwevegem zal deze plek binnenkort voorgoed begraven. Nog een herinnering aan m’n jeugd minder. Maar goed, dit plekje had iets speciaals, ook al was het maar omdat ik er ooit tijdens een ochtendlijke wandeling een drenkelinge vond. Niet bestand tegen zo’n kleurrijke aanblik ging ik er zelfs gezondheidsgewijs een paar weken onderdoor. De vrouw was een hele goede vriendin van m’n ouders, wat het verhaal nog schokkender maakte. Het leven was haar te zwaar geworden. Deze plek had dus een verhaal, én, ik had er sinds m’n jeugd al gepeurd, gepickerd, op paling gevist, met de matchhengel aan de slag geweest, enfin, het was één van onze populaire en goede stekken en nu zat ik er ook de karpers achterna. Nog niet het minst omdat er onder water een interessant richeltje lag, dat met een mooi onderhands worpje gemakkelijk te bereiken was. Karpers zwommen dit richeltje af als ze het talud van rechts opkwamen. Zo nu en dan kon ik er een karper vangen want het bestand was naar ons idee toen niet zo groot. Een dertiger was een Utopie…
Op een warme zomeravond liep ik op deze erg donkere stek af om wat te voeren. Een dagelijks terugkerend tafereel. Zes dagen weinig voeren, één dag afromen. Aalten ‘avant la lettre’, maar dan iets beter. Dat driedagengedoe vond ik maar niks, iedere avond voeren werkte gewoon beter op lange termijn. Ik kon dat donkere weggetje wel blindelings lopen (want je zag er toch geen steek) en nam zoals altijd het derde gaatje in de rietkraag. Een paar stappen verder en ik kon m’n ene voet op de oeverbalk zetten. Enkele meter verder moesten de balletjes te water plonsen, richting richel. Twee worpjes en ik voelde iets… er was iets…
Iedere visser kent hét gevoel, de dreiging van iets rondom je, wat je niet kent… niet ziet…
De rillingen liepen omhoog over m’n rug… Ik keek rond maar zag niks…
Ach, er was niemand, gewoon niemand, Geert…

Maar toen keek ik naar beneden… en verdorie, pal tussen m’n benen in lag een jong koppeltje, héél bloot en nogal op elkaar (dat kon ik wél zien). Zelfs in het donker was het bijzonder duidelijk wat ze daar aan ‘t doen waren. En ik stond tussen hun benen! Ze waren doodsbang (maar eigelijk was het bijzonder grappig). Het enige wat ik geschrokken kon uitbrengen was: “Hallo, ge moe nie vershietn, ik komme ier iedern dah é betje voer in ‘t wotter smittn veur op min karpers te visn… verstojt?”
Ze gaven geen krimp, want zo erg duidelijk was m’n uitleg (voor een leek) nu ook weer niet. Ik gooide de rest van de boilies op de stek, dit kon ik niet nalaten want gevoerd moest er! Ik excuseerde me nog eens, en nog eens, en verdween toen als een karpervisser in de nacht, in de richting van waar ik uit het niets was opgedoken…
De avond nadien, op m’n zomerse visavond, kon ik hun verdwaalde rubber opruimen… De stek was verstoord én het gat in het riet wat groter…

Ik heb afstand genomen van m’n trouwe vissloefen. Ik kan me niet herinneren dat ik er ooit andere heb gehad om te vissen. Ze stonden aan m’n shelter toen ik met Phil in het zuiden van Frankrijk zat te karperen, ze zaten aan m’n voeten toen ik die duizenden kunstvliegen heb gebonden, ik had ze bij tijdens ‘t vissen in Slovenië en Canada, Ierland en nog zo veel plaatsen meer. Ook in Zuid-Afrika, Gambia en Gabon waren ze van de partij. Ze hebben zelfs Luc’s tarpon van 2 meter 20 meegemaakt… en talloze voor die tijd prachtige en grote karpers… Ik droeg ze tijdens het bootvissen op het Indiana-meer, ach, de lijst is eindeloos.
Vandaag heb ik ze, afgesleten en vol gaten, met een weinig weemoed in de vuilniszak gestopt. Ik kon het niet laten om er een foto van te nemen. Ik weet het, wat een nostalgie, maar wat een herinneringen hangen aan dat schoeisel vast!…

Toen ik nog op het Land Van Ghow viste, de Gavers in Harelbeke, had ik een jaar een stekje aan het achtereind van de 65 hectare grote plas. Ik beviste toen een richel die, evenwijdig aan de oever, een eind uit uit de kant lag. Het moest wel een mooie worp zijn om er te kunnen vissen. Net na het ondiepe plateau in de eigen oever liep het steil af, een diep gat dat niet bevisbaar was. Alle visserij werd dus geconcentreerd op grote afstand. Het liep er niet zo vlot met de actie en één van de redenen was dat ik buren had die de aanzwemroute van de karpers danig wisten te blokkeren (met voeren, wat dacht je?). Ik moest dus vissen als zij er niet waren/voerden en dat was in mijn geval en werksituatie niet gemakkelijk.
Maar goed, één bepaalde week wilde ik eens de respons op tijgernoten proberen, dat was toen nieuw voor mij op deze plas. Op maandag, dinsdag, woensdag en donderdagavond werden er met de télé wat noten en boilies in het rond gestrooid op de richel. De boilies voor het geval dat… en het nodige vertrouwen.
Donderdagavond was traditioneel wieropruimavond. Een hark aan een lang touw voldeed
best. En als je ‘t Land van Ghow kent weet je dat dit een avondje Werken was, enkel en alleen om je stek voor de volgende avond open te hebben. De week nadien stond alles terug potdicht gegroeid. Wier, wier en nog eens wier.
Maar dan, op vrijdagavond (én visavond dus), waaide en brulde het als een Texaanse tornado! Ik had de wind vlak in ‘t gezicht. Op zich is dat natuurlijk fantastisch visweer, als visser word je immers herboren met zo’n wind, ware het niet dat ik niet bij m’n stek kon. M’n lood kwam zo terug gewaaid in de felle windstoten, het was te ver. Uitvaren met de télé was ook uit den boze. Alhoewel de boot beter was dan al wat nu op de markt verkrijgbaar is voor het grote werk, ik kon er niet mee varen. Ik kon dus niet behoorlijk vissen maar ik wist dat ik er alleen ging zijn, dus de vissen konden m’n stek aandoen. Het was een kans.
Dus slingerde ik uiteindelijk drie aasjes richting horizon, zo ver ik kon. Ik kon die horizon niet eens zien… Ik verwachtte niks, maar was er nu toch, en ‘k wist dat ik bij veel lawaai toch erg goed sliep.
Bijvoeren was niet mogelijk, de boilies die ik met de werppijp wegsloeg kwamen op de wind terugzeilen.
Maar, het duurde niet eens lang, of ik kreeg al beet op links. Ik was aangenaam verrast toen ik de vis geland kreeg, het was dus geen moeite voor niks geweest. Al lang vergeten hoe groot die karper was maar het was de eerste van 8 runs op die ene hengel, die beaasd was met een tijgernootje. De noot zag er na het terugzetten van de vis telkens nog best uit, ze bleef er dus aan en ik slingerde de rig terug het donker in. Door het gieren van de wind kon ik niet eens horen waar m’n lood landde. Voelen hoe diep het er was lukte ook al niet. Het was roeren in dikke soep met een slappe boterham. Maar ‘t werkte… die ene rig lag blijkbaar ergens op een plek waar bijzonder veel vis passeerde. Dat die het ene tijgernootje vonden was al helemaal super want de andere hengels bleven tot de dag nadien onaangeroerd.
Kort, tegen de morgen aan had ik zes vissen geland en was er twee kwijt in het vele wier wat links en rechts van m’n stek stond. De grootste vis was ergens net onder de vijftien kilo, meen ik me te herinneren.
Doorweekt en uitgewaaid gebruikte ik de zelfontspanner voor een wazige herinnering. Ik keek dus terug op een formidabele nacht… maar het plekje waar ik al die vissen gehaakt heb is nooit teruggevonden, laat staan dat ik wist waar het lag…

– Op verzoek van Luc De Baets is dit stukje ook gepubliceerd in de eerste herdruk van het boek ‘De Dunne Lijn’, wat ik een hele eer vond –

Ergens midden jaren ’90 werd ik lid van de Eendenmeervissers. Het Eendenmeer lag vlak bij Heusden, waar ik toen woonde. Ik zal er ooit Luc Reygaert vliegvissen met z’n karakteristieke witte streamers, hij was vriendelijk en aimabel, en ik was verkocht aan het werpen. Ik heb er veel geleerd, vrienden gemaakt, maar de sfeer en omgang met het nogal stroeve bestuur was soms niet alles.
Na onenigheid met ‘t bestuur startten een aantal vliegvissers een nieuwe club op, The Royal Coachmen. Naar het beroemde klassieke vliegje met de zelfde naam. Leo, duivel doe het al op z’n respectabele leeftijd, vond zelfs een meer voor de club, en de nodige mooie forellen werden uitgezet. Het werd een succes en een nieuwe club was een feit.
Ik heb er jaren héél veel plezier gehad, zowel met de vrienden, als met het vissen. Al gauw lagen er een aantal boten waarin we zelf geinvesteerd hadden, en van waaruit het comfortabel vissen was. Ik ben pas uit de club vertrokken toen ik in Mechelen ging wonen en de afstanden er een beetje teveel aan werden.
Spijtig genoeg zijn een aantal mensen van deze sympathieke bende al niet meer onder ons. Leo, ik vergeet je nooit, toen je op mijn kamer aan de Kyll in Duitsland lag te snurken als een os, na het vangen van de nodige forellen! Je had veel te vertellen, veel meegemaakt, en was altijd enthousiast… Lukske, stil en man van ‘t goe leven, ‘jaloers’ op de kleine vliegjes die we strikten, maar die hij zelf niet zo best kon zien. Altijd goe compagnie. En Daniël, de man met de fijne vingertjes die de perfectie nastreefden, die een rivier kon lezen al waren het de ogen van z’n vrouw, die mij het vliegbinden bijbracht en me leerde hoe je een rivier hoort aan te pakken. ‘t Is al lang geleden, dat je wegviel, maar je hulp werd erg gewaardeerd en is nog altijd gekoesterd.
Zo zijn er ook een aantal mensen in m’n erg directe omgeving die de druk van het leven niet meer aankonden en er bewust uitstapten. Teveel mensen…
En dus, zo sta ik vanmorgen weer eens stil bij mijn eigen kleine eindigheid, en hoe vlug het allemaal gaat. En daaruit put ik de hoop om eindelijk weer ‘s aan ‘t vissen te gaan…

Mijn hele hebben en houden verdwijnt in kartonnen dozen. Tijdens het opruimen voor m’n verhuis vond ik deze foto terug. En dan komen herinneringen boven. Tja, absoluut één van de gaafste karpers die ik ooit mocht fotograferen…
Tim Troost, want zo heette die vriendelijke Nederlandse kerel, hadden we ontmoet tijdens de begindagen aan Lac Du Der. Hij had die week een aantal leuke vissen gevangen, maar deze spande echt de kroon. Echter een niet zo typische vis voor dat meer, al zeg ik het zelf, want meestal zijn het ginds erg zwak beschubde spiegels en lederkarpers. Het gewicht was onbelangrijk, ik had nog nooit een driedubbele rijen gezien!… Hij, of zij, woog ergens over de 18 kilo. En dan vraag je je af, zoveel jaren later: “Zou jij nog leven schoonheid, en ben je niet een beetje verdikt?”…
Tim Troost schijnt na al die jaren nog altijd gedreven op karper te vissen maar wij hebben nooit meer kontakt gehad. Als je ‘t mocht lezen, Tim, het is nog altijd een supervis!…

In de reeks Nostalgie gecatalogeerd: de eerste trip naar Du Der. Phil Cottenier en ik hadden in het voorjaar van ’92 iets opgevangen over een groot Frans meer waar misschien enorme mogelijkheden lagen. Het sprak tot onze verbeelding en dus werd in de zomervakantie een trip gepland.
We vielen omver toen we ginds over de dijk stapten, want wij als kleine Belgen waren geen groot water gewoon. 50 hectare was voor ons al veel en dan slik je wel als er zo’n slok van zo’n 4.000 hectare voor jou ligt.
De tweede mogelijke stek die we aandeden verborg een paar karpervissers, en godverdomme, hier zat Lukske De Baets met aanhang… Dat was een hint, hier moest het zijn! Maar, we hadden geen zin in buurtzitten, dus reden we helemaal naar de overkant. Na enig gezoek en gepeil vonden we een mooie stek aan de rand van een ondergelopen bos. De boot kwam er niet meer aan de pas en we voerden boilies met onze throwing sticks, de stek vol én goed open (hmm, niet enkel Baetske viste toen al zo…). Het werd nachtwerk en iedere nacht konden we meerdere mooie vissen zakken. Het was een succes, maar de extreme hitte was moordend voor de karpers. We voelden instinctief aan dat tijdens het najaar enorme vangsten zouden kunnen…
Oktober. We vierden er allebei onze verjaardag. Phil op de derde en ik de zesde. In de modder. Wat was dat behelpen. Tegenwoordig zit iederen goed ingepikt te kamperen langs de waterkant maar toen leek het meer op een modderbad annex vermageringskuur/dieet. Pionieren, dat was het. En de actie, het ongewone wat nu zo gewoon is, deed ons verlangen naar nog méér.
We vingen ons te pletter, het stopte niet, dag en nacht. En hoe meer we met onze werppijp voerden, hoe meer vis we vingen.
Eén nacht hoorde ik Phil herhaaldelijk naar me roepen. Ik had een run, riep hij! Ik werd wakker en besefte dat ik al stond te drillen, al slapend… En naast me gilde een andere Optonic het uit en ik hoorde het niet meer. Zo vermoeiend dat karpervissen…
Aan de overkant zat Kevin Maddocks, die behoorlijk veel ving, en er uiteindelijk een film over maakte. Zo ongewoon was het niet, wij hadden er nog veel meer. Als ik me goed herinner, een goeie ton karper in zes dagen vissen. De agenda waar dit alles in genoteerd stond is al lang verloren, de vangsten ietwat vervaagd, en ach, wat maakt het uit. De grootste vissen waren een goede 19 kilo, absolute bakken in die periode.
Toen we terug thuis waren en het onze vrienden vertelden – ik herinner me het verbaasde gezicht van Darwin nog- geloofde niemand ons… Velen zouden ons volgen. Ik ben er pas 10 jaar later eens terug geweest.